Tot afgelopen zomer had ik nog nooit een verre reis buiten Europa gemaakt. Ik had het mijn kinderen al in 2014 beloofd maar altijd was er een smoes om het nakomen van de belofte uit te stellen. Verandering van baan, te veel of juist te weinig werk, verhuizen, COVID, onrust in de wereld… Inmiddels zou mijn oudste zoon van 19 sowieso al niet meer mee: hij wil vanwege het milieu niet vliegen.
Nou is vliegschaamte een ding, maar wat mij vooral tegenhield was angst. Reisangst wel te verstaan. Om die reden heb ik regelmatig met geveinsd drama reizen afgezegd. Moskou, Lesbos, Florida en New York: ik heb er allemaal voor betaald maar gegaan ben ik nooit.
Waar ik bang voor was? Verzin het maar. Vreselijke ziekten, piraten, zakkenrollers, beestjes die richting je plasbuis zwemmen, vleesetende bacteriën, wraakzuchtige neushoorns, bloeddorstige overvallers langs de snelweg: je kunt het zo gek niet verzinnen of het hield me veilig op bekend gebied. Iedere reis waar ik onderuit wist te komen voelde als een opluchting. Het grappige is dat mensen die je deelgenoot maakt van je angsten altijd wel een anekdote paraat hebben die je vrees aanwakkert, om er dan ter geruststelling bij te melden dat dat natuurlijk maar zelden voorkomt…
Dat een kennis die ik kort daarvoor ‘geluksvogel’ had genoemd op de MH17 stapte hielp niet. Die tragedie maakte een diepe indruk en dat doet het nog altijd. Sinds 9/11 was vliegen überhaupt niet meer mijn liefhebberij. Angst voor aanslagen hield me jaren aan de grond, hoezeer mijn ratio ook verkondigde dat de kans op stikken in mijn tandenborstel een stuk groter was.
Afijn, het werd dus na 10 jaar talmen de jungle van Borneo.
Dat klinkt als een onlogische keuze voor iemand met reisangst maar voor een natuurliefhebber met Aziatische roots is het niet eens zo’n heel rare bestemming. Het is bovendien makkelijk bereisbaar en het massatoerisme richting het tropisch regenwoud wordt er niet aangemoedigd.
Cultuurshock
Van alle angsten die ik in de afgelopen 55 jaar had bedacht, bleek natuurlijk niets reëel. Zelfs de aangekondigde cultuurshock bleef uit: Kuala Lumpur is een moderne stad met grote tegenstellingen, waar Gucci en Louis Vuitton in marmeren winkelcentra de rijkdom van de happy few weerspiegelen en de enorme ongelijkheid ‘keurig’ wordt verdoezeld. De stad is niet hectischer dan Utrecht Centraal en behalve dat voelde ik me er uitstekend op mijn gemak.
Iemand die in zo’n beetje in ieder werelddeel heeft gewoond en gewerkt, adviseerde me om te zoeken naar de onderliggende energie van een stad en niet te focussen op uiterlijkheden. Met het motto van mijn voorouders in gedachten (pelan-pelan, wat iets al ‘rustig aan’ betekent) werd het een plezierige onderdompeling die na een paar dagen rondbanjeren evenzogoed wel weer welletjes was.
Vleerhonden
Dat gold niet voor het tropisch regenwoud waar ik uiteindelijk veel langer had kunnen verblijven. We belandden dieper in de jungle dan ik vreesde, bepakt en bezakt met alles wat BEVER ons aan jungle equipment had aangesmeerd. Na twee onwennige dagen maakte de jungleoutfit onbekommerd plaats voor korte broek en T-shirt. Alleen de bloedzuigersokken bleken een terechte aankoop, al had dat ook ter plekke gekund. De 200 euro die we besteedden aan malariapillen was een beetje jammer: de dokter in het dichtstbijzijnde dorp deed ‘Malaria Treatment’ voor 30 ringgit, omgerekend zo’n 6 euro vijftig.
De door de GGD aangeraden vaccinaties tegen hondsdolheid leken eenmaal aangekomen op de mogelijke plek des onheils tamelijk absurd: vleerhonden en orang-oetans bleken niet daadwerkelijk van plan een hap uit ons belanda-vlees te nemen (al moet je een rabiësvaccinatie natuurlijk wel gewoon doen).
Als je twee weken lang in de jungle zit, waar het sowieso te warm en te vochtig is om je ergens druk over te maken, dan daalt er een mysterieus soort rust op je neer, zo is nu mijn ervaring. Voor mij kreeg de regel ‘leven en laten leven’ er in ieder geval een geheel nieuwe dimensie bij, in die zin dat het ongelooflijk prettig is om je over te geven aan de natuurlijke orde der dingen.
Niets verstoren
Gids Abbas had het bij aanvang van onze eerste tocht gezegd: ‘Regel een in de jungle: nergens aankomen, niets verstoren’. Je wilt namelijk niet dat een haartje van die ene prachtige rups je lijf in vuur en vlam zet. Brutale apen? Geen aandacht aan besteden. In het Taoïstische boek ‘de geschriften van Liezi’ legt jachtopziener Liang Yang uit dat het een kwestie is van evenwicht: ‘Nu is er in mijn geest helemaal geen sprake meer van tegenwerken of ze hun zin laten doen, en daarom beschouwen de wilde dieren en vogels mij als hun gelijke’.
En zo kun je dus met je reisangst zorgeloos midden in het regenwoud zitten, terwijl de oudere apen voor je voeten rondscharrelen en de jonkies een stukje verderop spelen in de rivier.
Plastic
Ga ik nu vaker op reis? Nee zeg, integendeel! Ik heb me juist voorgenomen om nog minder te reizen en nog veel minder te consumeren. De gedachte dat soberheid en het cultiveren van bescheidenheid de enige heilzame weg is voor onze soort, houdt mij steeds vaker bezig.
Want waar ik echt van geschrokken ben is wat toerisme doet. Het beeld van de vriendelijke Indische varaan tussen de plastic soep en het bleke, stervende koraal laat mij moeilijk los. Ik wist over de krankzinnige praktijk in deze Eeuw van het Reizen maar om het met eigen ogen te zien heeft mij alleen maar bevestigd in het idee dat we met zijn allen volledig op het verkeerde spoor zitten.
We trekken als een nietsontziende sprinkhanenplaag over de aarde waarvan we blijkbaar denken dat deze er exclusief voor de bevrediging van onze eigen behoefte is. De echte cultuurshock is het het aanschouwen van de manier waarop wij toeristen, tot op het bot verwend, ongemanierd en onaangepast, veel te veel ruimte innemen ten koste van alles wat we in feite met hart en ziel zouden moeten beschermen.
Reisangst is daarom helemaal zo slecht nog niet. Ik kan het omwille van onze planeet niet voldoende mensen toewensen.
