Dit is voorlopig de laatste van de vijf blogs die ik schreef over de Governance Code Cultuur. Het noodzakelijke gesprek over de Code is inmiddels breed gevoerd. Er is nog veel werk aan de winkel: werk dat ik zelf binnen mijn eigen mogelijkheden zal blijven oppakken. ‘Wees de verandering die je zelf wilt zien’, zou Gandhi gezegd hebben. Wat overigens niet klopt. Net zoals Pippi nimmer gezegd heeft: ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat het ik wel kan’. Maar dat terzijde.
Het advies van de Raad voor Cultuur stemt zonder twijfel hoopvol. De Raad pleit voor een meer mensgerichte, inclusieve en lerende toezichtcultuur. Het advies onderkent dat regels en codes niet volstaan zonder doorleefd gedrag. Er is veel aandacht voor behavioral governance, groepsdynamiek, zelfreflectie en rolbewustzijn. De Raad maakt zich sterk voor constructieve tegenspraak en een veilige vergadercultuur. De cruciale rol van de voorzitter wordt bovendien expliciet benoemd als facilitator van ruimte en veiligheid. Vertrouwen krijgt de voorkeur boven controle. Gedeeld leren via peer learning en ketentafels wordt aangemoedigd.
Rammelend systeem
Het verheugt me dat de Raad hiermee, in ieder geval volgens Wijbrand Schaap, erkent dat het huidige systeem van Toezicht behoorlijk rammelt. Veel verbetervoorstellen vind ik waardevol, al blijft de positie van directies kwetsbaar. Een onafhankelijk arbitrageorgaan met bevoegdheden zou naar mijn idee effectiever zijn dan een centraal informatiepunt.
Toch knaagt er iets. Een vraag houdt me namelijk nog bezig. Is een fundamentele herziening van de code, zoals de Raad bepleit, echt nodig? Dat was niet mijn insteek in eerdere blogs. Misschien moeten we niet de Code herzien, maar ons gedrag. Tijdens het CPFE Congres in Utrecht afgelopen september stelde Titia Haaxma, directeur-bestuurder van Cultuur+Ondernemen dat de huidige Code op zichzelf voldoet. Daar zit wat in: als iedereen zich eraan houdt, is er immers weinig aan de hand.
Losjes
Het probleem blijft echter dat de Code als aanbeveling nog steeds te vrijblijvend is, losjes wordt geïnterpreteerd en dat het regelmatig aan elementaire kennis over de werking van het culturele veld ontbreekt. Aanvinken dat je de Code toepast en enigszins uitleggen hoe je dat doet is voor fondsen en overheden nog altijd toereikend om aan dit onderdeel van de subsidievoorwaarden te voldoen. Voor het verplichten van de Code lijkt bovendien, ook bij de Raad voor Cultuur, weinig draagvlak te zijn.
Maar wat als de Code bijvoorbeeld simpelweg niet eens gelezen wordt? Het zal toch niet? Maakt u zich geen illusies: vorig jaar trof ik een sollicitant voor de positie van voorzitter van een RvT die nog nooit van het bestaan van een dergelijke Code had gehoord. Stel daarom op zijn minst een cursus Code verplicht voor nieuwe leden en bied bijscholing aan de zittende RvT. Leg dit vast in een eenvoudig bestuursreglement dat door ieder lid wordt ondertekend, inclusief de basisprincipes van goed bestuur.
Expertise
Een ondertekend reglement, eveneens niet verplicht, wel aan te raden, biedt houvast. Je kunt de Code natuurlijk ook simpelweg opnemen in de statuten. In geval van crisis of conflict geeft dat in ieder geval wat meer juridische zekerheid dan vrijblijvende aanbevelingen. Het draagt bij aan bewustwording en transparantie en geeft meer iets meer richting aan ons gedrag. Innerlijke waarden en gezond verstand lijken wellicht gestoeld op universele principes, maar verschillen vaak volledig. Heldere afspraken zijn blijkbaar nodig voordat we ruimte kunnen maken voor progressievere vormen van toezicht.
Een van die afspraken is inhoudelijke ondersteuning van de bestuurder. De Raad adviseert minimaal één lid met artistieke expertise; ik pleit voor een meerderheid met kennis van het culturele veld. Zelf ambieer ik na mijn pensioen het voorzitterschap van het Amsterdam UMC. Waarom niet? Ik heb dan bijna 50 jaar ervaring in de culturele sector. En hoe moeilijk kan het zijn, een ziekenhuis runnen? De principes zijn hetzelfde: mensen komen ontredderd binnen en gaan in de regel gelouterd weer naar huis.
Geen amateurisme
Een absurd idee? Niet in onze sector. Wij zijn misschien de enige beroepsgroep die zeggenschap geeft aan mensen zonder inhoudelijke kennis. We moeten kritischer zijn in wie we toelaten tot onze Raden van Toezicht. Wij hoeven als sector bovendien geen amateurisme te accepteren. Niet van onszelf en niet van onze bestuursleden. Het is tijd dat we onszelf serieuzer nemen, zodat anderen dat ook doen.
Op het congres in TivoliVredenburg werd gevraagd naar alternatieve bestuursmodellen. De Raad noemt onder meer coöperaties, verenigingen en BVm’s, de Besloten Vennootschap met een maatschappelijk doel. Maar dat is vorm. ‘Vorm is leegte’, zegt de Hartsoetra. Alles wat bestaat, bestaat niet op zichzelf, maar is afhankelijk van relaties, omstandigheden en perceptie. En dat is precies het punt. Vorm zegt op zichzelf niets.
Keurslijf
Governance in de culturele sector moet geen keurslijf zijn, maar een kompas. Een kompas in de voortdurende zoektocht naar meerstemmigheid en zorg. De kernvraag is wat mij betreft: hoe bekommeren we ons om elkaar en de gemeenschap? Dáár begint goed bestuur. Toezicht houden is uiteindelijk niets meer of minder dan samen waken over dat wat van waarde is.
Meer regels lossen onze uitdagingen waarschijnlijk niet op. Daarom pleitte ik eerder voor rituele herbezinning: leg de Code even terzijde en bedenk samen met je RvT vanuit welke noodzaak deze ooit is opgesteld.
Het is aan iedere culturele instelling zelf om zich al dan niet hardop af te vragen: ‘Wat betekent goed bestuur voor ons, hier, nu en overmorgen en hoe gaan we dat voortaan samen inhoud geven?’.
