Het uur van de waarheid nadert voor onder meer Holland Opera, De Warme Winkel, Orkater en Holland Baroque. Grijpt de politiek maandag 11 november nog in met 3 miljoen extra voor deze gezelschappen of valt straks het doek? Het is bijzonder pijnlijk om te zien hoe collega’s na een afwijzing door het Fonds Podiumkunsten worstelen om te redden wat er te redden valt, terwijl de politiek het woord ‘cultuur’ nauwelijks nog bezigt.
“We gooien het bijltje er echt niet bij neer”, zegt Vincent Rietveld van De Warme Winkel in dagblad Trouw van afgelopen 7 november. Een moedig standpunt want velen van ons kennen de stress van Het Oordeel, de pijn van de ontkenning van onze inspanningen en hoe we vervolgens toch, tegen de klippen op, proberen om de plannen door te zetten waar we voor staan. Zelden zegt iemand hardop: bekijk het verder. We hebben harde koppen in de podiumkunsten, zo blijkt.
Je moet immers van beton zijn wil je de vierjaarlijkse tombola zonder een teveel aan ongezonde stress ondergaan. In alle andere sectoren is het ondenkbaar dat er iedere vier jaren opnieuw banen op de tocht staan op basis van een enkel advies. In de gesubsidieerde podiumkunsten is dat het normaal.
Stressvol
Het schrijven van een aanvraag is op zichzelf al een tamelijk stressvol proces. Ondanks dat overheden zich telkens weer voornemen om het eenvoudiger te maken, lukt dat nog maar mondjesmaat. Het blijft vooral een geestdodende invuloefening waar feitelijk weinig echte creativiteit voor nodig is en die we op korte termijn waarschijnlijk rustig kunnen overlaten aan AI, die keurig invult waaraan een aanvraag zou moeten voldoen. In plaats van het accent te verschuiven naar verantwoording achteraf, is de trend: zoveel als mogelijk indekken en ieder risico mijden.
Het bittere is dat aanvragers uitgebreid moeten beschrijven hoe ze in de komende jaren aan fair pay denken te gaan doen. Omdat de verschillende overheden niet verplicht zijn om te ‘matchen’ kan het zomaar voorkomen dat je bij de ene overheid wel geld krijgt en bij de andere niet, wat dus bijvoorbeeld De Warme Winkel overkwam. En zo wordt er vervolgens gezocht naar manieren om met het wel toegekende geld toch te overleven. Dat gaat ten koste van banen en welzijn. Bij De Warme Winkel worden onder andere negen vaste medewerkers en een kantoor geofferd. So much for fair practice.
Doorstart
Wat rest is met de spreekwoordelijke pet rondgaan. Want vervolgens komt de vraag om financiële middelen terug bij de eigen sector. Terecht maken theatermakers, festivals en gezelschappen bij een afwijzing, een plek onder de zaaglijn of een gedeeltelijke toekenning een rondje langs de culturele instellingen om te kijken of er bijvoorbeeld samenwerkingen mogelijk zijn, huur kan worden kwijtgescholden en of er op een andere manier toch een doorstart kan worden gemaakt.
Bij die, veelal gesubsidieerde, instellingen valt meestal weinig te halen. Delen is een duurzame weg maar daarmee worden salarissen niet betaald en het financieel ondersteunen van anderen betekent feitelijk een bezuiniging op de eigen activiteiten. Bovendien houden we zo een systeem in stand dat arbeid structureel blijft onderbetalen.
Relatie
Het is een uiterst frustrerende praktijk. Af en toe hoor ik theatermakers zichzelf hardop afvragen waar het mis is gegaan: want we hadden toch zo’n goed relatie met het Fonds? Een goede relatie met het in de regel behoorlijk toegankelijke en behulpzame fonds doet er uiteindelijk echter helemaal niet toe. Het zijn de commissies die over besluiten adviseren. Die afhankelijkheid van commissies is extra frustrerend als de kundigheid te wensen overlaat.
Professionalisering van adviescommissies is hard nodig. Of ga op zijn minst eens langs: Je mag toch minimaal van een commissie verwachten dat deze zich ter plekke op de hoogte heeft gesteld van de werking van de praktijk en niet chicaneert over al dan niet mooi opgeschreven woorden? Er is binnen het systeem helaas geen ruimte voor dialoog of verdieping. Bovendien is het respect voor wat er is opgebouwd flinterdun. Waarvan akte.
De ontreddering van afgewezen makers is alleszins begrijpelijk. Je staat midden in je carrière; je hebt keurig het pad van groei bewandeld. Na de opleiding maakte je je eigen voorstellingen, ben je opgenomen in een werkplaats of productiehuis, vervolgens omarmt door een gezelschap, je staat inmiddels jarenlang succesvol op eigen benen en dan… einde oefening. Een opgebouwd publiek, een speelcircuit, goed ontvangen voorstellingen, prijzen, hulde: het doet er allemaal niet toe. Want je kunt zomaar een schoolmeesterachtig rapport ontvangen met een onvoldoende voor vlijt en gedrag.
Bewezen kwaliteit
Het is op zichzelf terecht dat er iedere subsidieronde plaats wordt ingeruimd voor nieuwe makers. Maar een rigoureuze vervanging van bewezen kwaliteit leidt tot een te groot aanbod van onbekende gezelschappen die nog geen publiek hebben opgebouwd. Zulke grote stappen kan het publiek eenvoudigweg niet bijbenen en zo vervreemdt het aanbod in hoog tempo van het publiek. In andere Europese landen is dat veelal de praktijk: een overschot aan aanbod dat blijft hangen in onderzoek en bij gebrek aan speelbeurten en doorontwikkeling het grotere publiek nooit bereikt.
Als er toch niet meer geld bij komt dan is de weg van de geleidelijkheid beter. Het stap-voor-stap afbouwen van subsidies van gevestigde gezelschappen ten faveure van nieuw aanbod geeft hen tenminste nog een eerlijke kans om hierop te anticiperen. Meer afstemming tussen subsidiërende overheden blijft daarnaast noodzakelijk, gelet op de soms elkaar tegensprekende adviezen van commissies. Een andere, meer eigentijdse en minder formele en rigide manier van aanvragen zou bovendien een grote verbetering zijn.
Zo valt er na jaren van evalueren en bijschaven nog altijd veel te verbeteren. De afgelopen subsidieronde heeft opnieuw zwakheden van het subsidiesysteem blootgelegd. Het is daarom bijzonder lovenswaardig dat de Raad voor Cultuur honderden professionals heeft betrokken bij het nadenken over een nieuw bestel vanaf 2029.
Maar daar kopen de gezelschappen die vandaag op omvallen staan helaas weinig voor. Voor hen is het nu hopen op een wonder, (dat uiteindelijk niet kwam).
