Her-stellen (2) – Een solide basis

Laat ik, voor ik reflecteer op een duurzame toekomst van het theater zeggen dat ik tot de optimistische school van aanpakkers behoor met pessimistische verwachtingen over subsidies. Ik heb niet de illusie dat de honderden miljoenen die in het afgelopen decennium door de overheden op de kunsten zijn bezuinigd ooit weer terugkeren. Er is in het internationale veld geen enkele tendens zichtbaar die er op wijst dat het die kant op zal gaan. Integendeel zelf. Wat er zich nu in de provincie Brabant afspeelt spreekt wat dat betreft boekdelen. Maar laat ik u nu niet ontmoedigen.

Foto: DigiDaan

Kwetsbaarheid

In de komende vijf blogs wil ik een bescheiden bijdrage leveren aan het her-stellen van de theatersector. Ik bespreek vijf eenvoudige, basale sleutels die naar mijn idee de deur openen naar een duurzame toekomst. Ik beweer niet dat het per definitie klopt wat ik zeg, of dat het niet al vaker door mij of door anderen is geroepen. Ik ben bovendien niet uit op onmogelijke, energievretende online discussies. Waar het mij om gaat is dat we alvast beginnen om samen na te denken over de veel langere termijn en dat jij je geroepen, uitgenodigd en geïnspireerd voelt om jouw eigen ideeën toe te voegen aan een broodnodig en urgent gesprek, dat ik later graag live met je wil voeren.

In dit blog reflecteer ik op het terugdringen van de kwetsbaarheid van onze sector.

Sleutel 1: een solide basis.

Toen ik werd aangesteld als directeur van het Nederlands Theater Festival en mijn vader uitlegde dat ik daarmee geheel verantwoordelijk was voor het vinden van alle financiering moest hij, als voormalig plant manager van een elektriciteitscentrale, dat even laten bezinken. ‘Dus ze nemen je aan maar je mag vervolgens je eigen salaris bij elkaar gaan zoeken? Zo kan ik ook banen weggegeven!’.

Het is allicht niet helemaal vergelijkbaar maar het duidt wel op de eigenaardige situatie waarin de gesubsidieerde kunsten zich over het algemeen bevinden. Een solide basis ontbreekt. Zelfs wanneer een instelling behoort tot de zogenaamde ‘basisinfrastructuur’ moet er alsnog geld bij worden gezocht om de basale taken te kunnen vervullen, waardoor instellingen elkaar structureel beconcurreren in de strijd om extra middelen. Dat voelt inmiddels als doodnormaal, maar is het logisch en duurzaam?

Neem een theaterzaal. De gemeente wil die voorziening graag, investeert in bakstenen, maar gaat er vervolgens van uit dat er vooral veel eigen inkomsten worden gegenereerd om de boel draaiende te houden. De meeste theaters slagen daar goed in, maar nu die eigen inkomsten door de corona-crisis wegvallen blijkt opeens de kwetsbaarheid van het systeem en is het nog maar de vraag of de overheden de theaters die omvallen kunnen en willen redden.

Basisfinanciering

Logischer zou zijn dat wanneer er consensus bestaat over het belang van een schouwburg, theaterzaal of gezelschap zo u wilt, er een basisfinanciering wordt gegarandeerd die de instelling in staat stelt haar kerntaak te vervullen ZONDER enige afhankelijkheid van aanvullende, eigen inkomsten.

Laten we inderdaad de schouwburg maar eens als voorbeeld nemen.

De kerntaak van een schouwburg is het tonen van podiumkunsten. Wanneer een gemeente een schouwburg ambieert, zou het gebouw plug & play klaar moeten staan om die kerntaak te vervullen, zonder dat daar theatertoeslagen, percentages van recettes en inkomsten uit congressen en partijen voor nodig zijn. Dat is nu beslist niet het leidende principe.

Zou het wel het leidende principe zijn, dan is er een andere manier van ondernemen mogelijk. Verhuringen worden weer de kers op de taart en niet de bestaansgrond: de inkomsten maken nieuwe initiatieven mogelijk. Maar ook de programmering kan anders worden benaderd.

In de theatersector wordt zowel door aanbod gestuurd of vraaggericht geprogrammeerd. Push en pull, om in Lean termen te spreken. De combinatie van beide is het meest logisch maar er zijn ook creatieve tussenstappen te bedenken. Zo zou populair aanbod volgens een crowd funding principe kunnen worden aangeboden: de voorstelling gaat alleen door wanneer een minimaal vereist aantal bezoekers is bereikt. Daarmee wordt de bezoeker medeverantwoordelijk (en hopelijk ambassadeur) voor doorgang van de voorstelling en zich bewuster van de kosten die een theateravond met zich meebrengt.

Tegelijkertijd zou er een theatertoeslag gerekend moeten worden die rechtstreeks ten goede komt aan een programmeringsfonds van de betreffende schouwburg waarmee meer kwetsbaar aanbod gefinancierd kan worden. Immers; een volle grote zaal die twee euro per kaartje extra betaalt maakt al gauw het optreden van een jonge maker in de kleine zaal mogelijk.

Die toeslag zou wat mij betreft ook moeten gelden voor verhuur. Wie de schouwburg huurt, stort automatisch een bedrag in het programmeringsfonds, zodat voor iedereen duidelijk is waar de verhuur uiteindelijk toe dient. Daarnaast kan ik mij voorstellen dat  bespelers die veel winst maken in volledig gesubsidieerde zalen een eerlijker percentage van hun inkomsten aan het theater afstaan dan nu vaak het geval is.

Maakt basisfinanciering niet juist meer afhankelijk van de subsidiërende overheid?, zul je misschien vragen. Daarbij zou je kunnen vinden dat het uiteindelijk toch op het zelfde ondernemerschap aankomt, welk systeem je ook kiest. Dat durf ik echter te bestrijden.

Bewegingsvrijheid

Waar het om gaat is dat basisfinanciering (als een basisinkomen) een wezenlijk ander uitgangpunt is in ons denken, dat uiteindelijk meer bewegingsvrijheid voor de cultureel ondernemer geeft. Revenuen kunnen zelfs worden teruggestort op de bankrekening van de overheid mocht men boven verwachting presteren. Dat is een wezenlijke shift.

Het verleggen van de focus op eigen inkomsten richting het opzetten van een systeem van basisfinanciering van onze theaters, gezelschappen, culturele instellingen en festivals door de overheden, zodat er een acceptabel basisproduct of basisprestatie kan worden geleverd, is een van de belangrijkste instrumenten bij het terugdringen van onze kwetsbaarheid als creatieve sector.

Anders denken over financiering hebben we niet volledig zelf in de hand. Wat we wel zelf in de hand hebben is het besparen op uitgaven enerzijds en het investeren in mensen anderzijds. Dat laatste betekent onder meer dat salarissen op een aanvaardbaar niveau worden gebracht en er meer vaste contracten moeten komen. Ik had niet gedacht dat ik het als levenslang zzp-er ooit zou zeggen maar het terugdringen van het aantal zelfstandigen in de culturele sector lijkt me van eminent belang. Een sector die draait op ruim 60 procent aan medewerkers zonder vaste dienstbetrekking is even kwetsbaar als de mensen zelf. Dat is van twee kanten onwenselijk. Als het niet mogelijk is om mensen een volledige baan aan te bieden, overweeg dan in ieder geval om mensen parttime aan te nemen. Neem bijvoorbeeld kunstenaars in dienst als creatieve denktank van je organisatie.

Besparen op uitgaven doe je onder andere door Lean principes op je processen los te laten en te onderzoeken waar je verspillingen zitten. Veel culturele organisaties vinden zichzelf al erg lean zonder ooit echt een grondige analyse van hun waardestroom te hebben gemaakt. Bovendien wordt het toepassen van lean regelmatig verwart met bezuinigen, wat begrijpelijkerwijs weerstand oproept. Terwijl lean feitelijk om het uitbannen van onnodige verspilling gaat, waar niemand tegen kan zijn. Zo hoeft wat wij van toegevoegde waarde achten, niet van toegevoegde waarde te zijn voor de klant. In blog Her-stellen 4 ga ik verder in op kostenbesparing door circulair ondernemen.

Tot slot, het is een open deur die we helaas maar zelden intrappen: het maakt beduidend minder kwetsbaar wanneer gesubsidieerde instellingen rigoureus de tering naar de nering zetten. Minister van Engelshoven hintte daar al op, misschien wel in de wetenschap dat het zelden zo gebeurt.  Ze biedt in ieder geval de ruimte om het daadwerkelijk te doen. Het vergt enig lef maar lijkt me hoe dan ook een gezondere houding. Doen waarvoor we betaald krijgen, misschien met een beetje extra maar nooit meer ten koste van ons eigen welzijn. Zodat er tijd vrij valt voor ontspanning, vrienden, het gezin, sport, bijscholing, hobby’s of… theaterbezoek.

Het is een verregaande gedachte maar Thich Nhat Hahn zei het twee decennia terug zo: “Ik ken veel jonge mensen die er de voorkeur aan geven minder te werken, bijvoorbeeld vier uur per dag, en minder te verdienen, zodat ze eenvoudig en gelukkig kunnen leven. Dit kan een oplossing betekenen voor de problemen in onze maatschappij: de productie van nutteloze goederen reduceren, het werk delen met hen die geen werk hebben… Sommige groepen en personen hebben al bewezen dat het mogelijk is”.

Volgende week: Sleutel 2 – delen en herverdelen.